De code piept, één keer. De poort geeft niet eens echt mee, alsof hij me eerst wil wegen: ben jij iemand die hier hoort? De binnenplaats ademt natte steen en oude winter. In de hoek staat een container die ruikt alsof hij een heel huishouden heeft opgegeten. Naast die geur, tegen een muur die al lang is gestopt met doen alsof hij netjes is, zit de volgende deur: staal, donker en een slot dat me aanstaart met het geduld van een bewaker. Ik toets nog een code in en de deur klikt open. En in die klik, dat kleine mechanische toegeven, begint Rusland.
Helemaal alleen vertrok ik naar Rusland. De oorlog in Oekraïne was toen nog niet begonnen en Rusland had al lang een vreemde aantrekkingskracht op mij. Het is het grootste land ter wereld, met een grijze ondertoon en ruwe rafelranden. Grauw en weerbarstig. Een land dat zich niet netjes laat samenvatten in een reisgids. Maar ik wil juist graag de afwijkingen opzoeken in plaats van de gladgestreken versie van de wereld. Ik wil niet de consument zijn van een ervaring, maar een deelnemer aan de werkelijkheid. En Rusland is één van die ongepolijste plekken waar de ingang er niet uitziet als een ingang, maar ik toch graag naar binnen wilde.
Met een hoofd vol aannames stapte ik uit in Sint Petersburg. Daar kreeg ik dat eerste oordeel cadeau, nog voordat ik mijn rugzak rechtop had gezet. Het licht was vlakker dan thuis, het rook naar natte jassen en iets metaalachtigs, alsof de lucht hier meer gewicht had. Je stapt over een onzichtbare drempel en ineens ben je niet meer thuis, maar ergens waar een onbekend avontuur begint. Mikhail begroette me vriendelijk, met een glimlach die niet paste bij het beeld dat ik had meegenomen. Geen norse blik, geen zwijgzame chauffeurscène uit een slechte spionagefilm, maar een vriendelijke man die meteen in rustig Engels vroeg of ik het een beetje kon vinden na de vlucht.
Zijn Bolt-taxi gleed de stad in. Buiten raasden grauwe flats voorbij, afgewisseld met plotselinge grandeur alsof iemand met twee verschillende handen had gebouwd. Ik had verwacht dat de kou me als eerste zou begroeten, letterlijk en figuurlijk: een land van gesloten gezichten, korte antwoorden, een soort sociale winter. Maar Mikhail wees onderweg zelfs dingen aan. “Here… old building. Very beautiful in summer,” zei hij, alsof hij me alvast wilde beloven dat niet alles in deze stad permanent winter was.
Sint-Petersburg: de waarheid achter een extra deur



Die eerste middag moest ik mijn hotel zien te vinden. ‘Hotel’ bleek een woord dat hier iets flexibeler is dan in West-Europa. Ik had geen fatsoenlijk adres, alleen een paar vage foto’s van de hoteleigenaar met instructies die klonken alsof ik deelnam aan een speurtocht: “Between two buildings is a gate. There is a code. Ik vond het poortje, toetste de code in en liep een binnenplaats op. De volgende foto was die van een dichte stalen deur naast een hoop vuilnis. Ook op die deur zat een code. Achter die stalen deur begon een trappenhal die donkerder werd naarmate ik verder omhoog ging. Het licht hing ergens halverwege te twijfelen of het aan wilde blijven. De muren waren bekrast met namen en jaartallen, kleine getuigenissen dat mensen hier eerder hadden gezucht, gevloekt, liefgehad, verhuisd. Zes trappen later stond ik op de verdieping waar ik moest zijn en keek ik rond, klaar om eindelijk een bordje of een deur met een nummer te zien. Maar er was niets, alleen een bezemkast. Nogmaals bekeek ik de foto: het leek erop dat ik in die bezemkast moest zijn….
Met een soort halve schaamte trok ik aan de deur en de kast ging open. Daar stonden inderdaad poetsspullen in, alleen bleek het geen gewone kast te zijn. Achterin zat nog een deur. Het scharnier kreunde een beetje, theatraal bijna, en ineens stapte ik in een gewone gang met kamers en een keuken. Warm licht, een zacht gezoem van een koelkast, ergens een pan die net had gekookt. Het voelde absurd: alsof ik per ongeluk via de achterkant het toneel was opgelopen en nu ineens in het echte stuk stond. En zo was mijn eerste kennismaking met Rusland meteen raak: oordeel niet op basis van de eerste aanblik, want achter het vreemde zit vaak het echte.
Eten: borsjt, blini’s en vodka



In de stad ontmoette ik mijn twee vrienden. We gingen samen eten en ook dat was verrassend goed, alsof Sint-Petersburg me steeds opnieuw wilde laten proeven dat ik het helemaal verkeerd had ingeschat. Ik had me voorbereid op zwaar en simpel, op eten dat vooral bedoeld is om je warm te houden, maar de keuken was verfijnder dan ik dacht. We aten borsjt (rode bietensoep), pirozhki (kleine gevulde broodjes), pelmeni (dumplings), (rauwe) vis, aardappelen en kool. We deden een vodka-tasting met begeleidende hapjes: blini’s met zure room, zalm en kaviaar, roggebrood met haring en ingelegde groenten. De keuken was aards en stevig, met zachte zuren en diepe bouillons. Een combinatie van eenvoud en aandacht. Onder de robuuste buitenkant bleek veel finesse te zitten.
Zien en beleven
Langs paleizen en kanalen, bruggen en koepels, langs datsja’s en musea zoeken we de Russische ziel. Sint Petersburg liet zich zien als een dame in gala. De Hermitage die je opslokt met goud en kunst, de kerk van de Verlosser op het bloed die van binnen gloeit van mozaïek en kaarslicht, Het Zwanenmeer van Tsjaikovski dat als een eigen leven bij deze plek hoort, Peterhof dat met zijn fonteinen schaamteloos laat zien hoe groots een land zichzelf ooit wilde maken. Het gevoel dat het oproept zit niet alleen in die pracht; het zit in het contrast, in de manier waarop de stad steeds twee lagen heeft. Een statige façade en daarachter een binnenplaats, een poortje, een donkere trappenhal, een verborgen gang. Aan de buitenkant grandeur, en aan de binnenkant geheimen. Armoede die net buiten de hoofdstraten begint, mensen die net iets te hard leven, de schaduw van alcohol en verslaving, het verschil tussen wie mee kan doen en wie niet. Het is niet zo dat de stad één donkere waarheid toonde, maar meer dwong om twee waarheden tegelijk te zien. Een plek kan adembenemend mooi zijn en tegelijk rauw. Een land kan warme mensen voortbrengen en een harde politiek hebben. Je kunt in één middag langs goud en mozaïek lopen en vijf minuten later op een binnenplaats staan waar het licht schaars is en de muren duistere geheimen herbergen. Die twee Ruslanden bestaan in dezelfde meters: het Rusland dat wil imponeren en het Rusland dat gewoon probeert rond te komen.






Mag ik Rusland nog mooi en vriendelijk vinden?
Het voelt een beetje illegaal om in de wereld waarin we nu leven schoonheid toe te dichten aan landen die zich als agressor gedragen, en toch doe ik dat. Niet als vrijbrief of naïeve blindheid, maar om menselijkheid te blijven zien waar de politiek onmenselijk wordt. Niet omdat ik lijden interessant vind, maar omdat ik weiger te doen alsof de wereld alleen bestaat uit nette entrees en bordjes met uitleg. Veel mensen hebben een oordeel over de wereld die ze niet kennen. Ik snap dat wel. Wij komen uit een cultuur van veiligheidshekjes en kinderzitjes, van piepjes waarmee je wordt gewaarschuwd voordat je überhaupt kunt struikelen. Alles is bij ons afgedekt en verzekerd. We hebben een bubbeltjesfolie-mentaliteit: als we geen garanties en comfort hebben dan gaan we niet. We zien onze ‘doe maar normaal’-veiligheid bijna als basisrecht, en daardoor denken we dat dat all-inclusive resort laat zien hoe een land is en hechten we waarde aan de mening van iemand die er ook nooit is geweest.
Ik wil niet alleen de nette versie van een land zien, maar ook de rafelranden waar het schuurt en waar het echte leven soms pijnlijk zichtbaar is. Ik reisde naar de favela’s van Rio de Janeiro, langs het communisme in Cuba, de townships van Johannesburg en Kaapstad, de dodenstad naast Caïro, bezocht het duistere verleden van Cambodja, van Tsjernobyl in Oekraïne en van het vernietigingskamp in Auschwitz. Niet om te shockeren, maar om te begrijpen. Om te zien hoe breed mens zijn kan zijn, hoe verschillend rituelen, overleving, geloof, armoede, schoonheid en geschiedenis zich laten zien. De wereld niet kleiner maken zodat hij veilig voelt, maar groter maken zodat hij waar voelt.
Sindsdien denk ik vaak aan die eerste klik van het slot van de Russische bezemkast. Omdat het me meteen leerde dat je aannames bijna altijd te simpel zijn. Dat achter een stalen deur naast vuilnis gewoon een prima plek kan zitten. Dat achter een land dat je denkt te kennen door headlines mensen zitten die gewoon vriendelijk zijn. En dat je soms een bezemkast moet openmaken om te ontdekken dat daarachter een gang ligt vol deuren die wél open kunnen, waarbij nieuwsgierigheid de enige sleutel is die je echt nodig hebt.




