Skuumkoppe

Het strand op Texel

Onlangs is het gebeurd. Tegen al mijn principes in ging ik op ‘vakantie’ in eigen land. De gedachte dat ik mijn vrije dagen moet slijten op een steenworp afstand van huis, waar de taal hetzelfde is, de mensen niet veel anders dan mezelf, de omgeving wellicht mooi maar bekend, de tradities en gebruiken niet verschillen met de mijne en waar het eten hetzelfde smaakt, dat geeft mij geen vakantiegevoel. Het idee dat je gewoon terug naar huis kunt rijden als je je pyama vergeten bent draagt daar ook niet aan bij. Begrijp me niet verkeerd, Nederland is prachtig. Maar ik vind het gewoon meer iets voor op zondag.

Toch gingen we naar Texel. Het was notabene mijn eigen idee. We hadden 4 dagen vrij en als je eigenlijk alles binnen Europa op korte vliegafstand wel hebt gezien, dan kom je op Texel terecht. Alle uithoeken van de wereld moeten eraan geloven, maar op de Waddeneilanden was ik nog nooit geweest.

Terwijl de boot vaart door het Marsdiep, langs de zandplaat ‘de Razende Bol’ en koers zet richting Texel moet ik schoorvoetend toegeven dat het absurd is dat ik dit mooie stukje Nederland nog nooit heb gezien. Het grootste waddeneiland verschijnt aan de horizon. Er wordt aangemeerd in de haven nabij de Mokbaai. De geografische benamingen op en rondom het eiland doen denken aan vervlogen tijden. Aan verdwenen schepen, aan verraderlijke zandbanken en verloren schatten. Alsof de tijd hier een beetje heeft stil gestaan.

Dit eiland is ruig en puur, in al zijn eenvoud. Brede stranden, zeehonden, de grijze zee, met de duinen vol helmgras. De vuurtoren in de verte, de kwelders met hun bijzondere flora, de roep van een zeemeeuw. Heide, bos en graslanden met kuddes schapen. Rust en ruimte. Maar waar je ook staat, overal op het eiland is de zeewind en de branding te horen. Vol leven en toch eenzaam. De zee geeft niet op en stort zich vol verlangen op Texel, haar koopwaar achterlatend voor de strandjutters die hier nog dagelijks rondstruinen.

Een enkele viskotter trotseert de golven vanuit de haven van Oudeschild, dat in vroegere tijden de vertrekhaven van de V.O.C. is geweest. We varen mee met een garnalenboot en geteisterd door fikse regen en wind testen we onze zeebenen. De vangst is niet mis en er worden ook nog zeehonden gespot.

In de avond genieten we van de zilte verleidingen. Mosselen, krabben en garnalen onder het genot van een goed glas wijn. De zon zakt steeds dieper in de zee en het tumult van de ruisende golven gaat langzaam over in een zachtjes wiegende cadans. De skuumkoppe vervagen. De zee wordt tastbaar, zo groots en oneindig als ze is. En daar, aan de horizon, ligt de wereld aan mijn voeten. Gewoon in Nederland.

De foto boven dit blog werd gemaakt door Jacqueline Penninkx-Clement. Waarvoor dank!

2 Reacties

Een reactie achterlaten

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.